Wand­schapp in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈvantˌʃap/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Wand·schapp
Plural: Wand­schäpp n dat Wand­schapp Nordniedersächsisch
Plural: Wand­schäpp m de Wand­schapp
Plural: Wand­schap­pen m de Wand­schapp
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Wand + Schapp