Üm­loop­tiet in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʏmˌlɔu̯p·tiːt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Üm·loop·tiet
Plural: Üm­loop­tie­den f de Üm­loop­tiet
[1]
geavanceerde woordenschat
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: üm + Loop + Tiet