Slaap­steed in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈslɔːpˌstɛːˑ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Slaap·steed
Plural: Slaap­ste­den f de Slaap­steed
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Slaap + Steed