Un­fall in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈʊnˌfal/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Un·fall
Pluralis: Unfäll m de Un­fall
[1]
geavanceerde woordenschat
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
Ik harr en Unfall mit dat Auto.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: un- + Fall