fuch­tig in het Nedersaksisch

Identieke woorden ››› fuchtig ❔︎
Uitspraak in het Plat: /ˈfʊx·tɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: fuch·tig
fuchtiger fuchtigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
wak
Engels:
wet
Duits:
Voorbeelden:
[2]
geavanceerde woordenschat
figuratief
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: fucht + -ig