Bä­cke­ree­ in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbɛ·kə·ɾeɪ̯/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Bä·cke·ree
Plural: Bä­cke­ree­en f de Bä­cke­ree­
Beeld, dat de onderbeduiding illustreerd
Arne List, CC-BY-SA-3.0
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
=
bakery
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevorms door: Bäcker + -ee