bu­ten­kopp­s in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbuːtn̩ˌkɔps/
bijwoord
Afbreking: bu·ten·kopps
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
Dat Gedicht kenn ik butenkopps.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: buten + Kopp