Knie­per in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkniː·pɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Knie·per
Plural: Knie­pers m de Knie­per
[1]
geavanceerde woordenschat
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Kniep + -er