Bahn­mees­ter in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbɔːnˌmɛːs·tɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Bahn·mees·ter
Plural: Bahn­mees­ters m de Bahn­mees­ter
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Bahn + Meester