Pinn­dopp in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpɪnˌdɔp/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Pinn·dopp
Plural: Pinn­dop­pen m de Pinn­dopp
Plural: Pinn­döpp m de Pinn­dopp
[1]
geavanceerde woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Pinn + Dopp