A­pen­ma­ker in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɔːpm̩ˌmɔː·kɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: A·pen·ma·ker
Plural: A­pen­ma­kers m de A­pen­ma­ker
[1]
geavanceerde woordenschat
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: apen + Maker