sö­ven­tig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈzœm̩·tɪç/
telwoord
Afbreking: sö·ven·tig
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
70
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: söven + -tig