söss­tig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈzœs·tɪç/
telwoord
Afbreking: söss·tig
[1]
basiswoordenschat
Nedersaksisch:
60
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: söss + -tig