Ei­witt in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈaɪ̯ˌvɪt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ei·witt
Pluralis: Eiwitt n dat Ei­witt
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
[2]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Protein
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Ei + witt