Lich­tenkark in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈlɪçtn̩ˌka͡ɐk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Lich·ten·kark
f de Lich­tenkark
[1]
perifere woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Mess lieks to Sünnopgang

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: Licht + Kark