Stroom­ut­fall in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈstɾɔu̯m·uːtˌfal/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Stroom·ut·fall
Plural: Stroom­ut­fäll m de Stroom­ut­fall
[1]
geavanceerde woordenschat
Examples:
Güstern harrn wi Stroomutfall.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Stroom + ut + Fall