un­wich­tig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʊnˌvɪç·tɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: un·wich·tig
unwichtiger unwichtigst
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Antoniemen:
wichtig

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: un- + wichtig