Snie­der in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈsniː·dɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Snie·der
Plural: Snie­ders m de Snie­der
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
[2]
perifere woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: snieden + -er