Kla­ter in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈklɔː·tɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kla·ter
Pluralis: Klatern m de Kla­ter
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:
[2]
perifere woordenschat