Kuus­prö­kel in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkuːsˌpɾøːy̯·kəl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kuus·prö·kel
Plural: Kuus­prö­kels m de Kuus­prö­kel
[1]
perifere woordenschat
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Kuus + Prökel