quie­me­lig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkviː·mə·lɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: quie·me·lig
quiemeliger quiemeligst
[1]
perifere woordenschat
actief

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: quiemen + -ig