ie­sern in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈiː·zɐn/ 🔊︎
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: ie·sern
geen trappen van vergelijking
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:
=
eisern

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: Ieser + -n