se­ker in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈsɛː·kɐ/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: se·ker
sekerer sekerst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:
Antoniemen:
unseker
[2]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits: