Dan­nen­bu­sch in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈdan̩ˌbʊʃ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Dan·nen·busch
m de Dan­nen­bu­sch
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Dann + Busch