een­gaal in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɛːn·ɡɔːl/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: een·gaal
geen trappen van vergelijking
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:
Examples:
De sünd all beid eengaal goot. De een is nich beter as de annere.
[2]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
nich von Belang
Duits:
Examples:
[3]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: een