e­gaal in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɛː·ɡɔːl/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: e·gaal
egaler egaalst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:
Examples:
[2]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
nich von Belang
Duits:
[3]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:
[4]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits: