jap­pig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈja·pɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: jap·pig
jappiger jappigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:
[2]
geavanceerde woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: jappen + -ig