Kark­stieg in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈka͡ɐkˌstiːç/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kark·stieg
Plural: Kark­stieg m de Kark­stieg
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Kark + Stieg