Sünn­dag in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈzʏnˌdaç/ 🔊︎
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Sünn·dag
Pluralis: Sünndaag m de Sünn­dag
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
Willst du mi Sünndag besöken?

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Sünn + Dag