suur in het Nedersaksisch

Identieke woorden ››› Süür ❔︎ Suur ❔︎
surer suurst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
scharp un tohooptreckern (von en Smack)
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
De Appel smeckt suur.
[2]
geavanceerde woordenschat
figuratief
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
Ik bün suur op em.
[3]
geavanceerde woordenschat
Voorbeelden: