Krin­gel in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkɾɪn·ɡəl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Krin·gel
Plural: Krin­gels m de Krin­gel
Plural: Krin­geln m de Krin­gel
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
ringförmig Backels
Duits:
[2]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Duits: