Bu­ten­land in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈbuːtn̩ˌlant/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Bu·ten·land
Pluralis: Butenlannen n dat Bu­ten­land
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:
Voorbeelden:
[2]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
Ik heff en poor Johr in’t Butenland leevt.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: buten + Land