lei­dig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈlaɪ̯·dɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: lei·dig
leidiger leidigst
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
von wat, wat fichelt, wat verföhrt
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
[2]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
moraalsch slecht
[3]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: leiden + -ig