ve­nie­nig in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /vəˈniː·nɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: ve·nie·nig
venieniger venienigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
[2]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:
Voorbeelden:
[3]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
He hett mi ganz venienig anblafft.
[4]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Venien + -ig