fri­sch in het Nedersaksisch

frischer frischst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
[2]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
Wat is dat vondaag frisch buten.
[3]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:
neu
Voorbeelden:
He is hier frisch hertrocken.
[4]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
new
Duits:
neu
Voorbeelden: