Rog­gen­wulf in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈɾɔɡn̩ˌvʊlf/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Rog·gen·wulf
Pluralis: Roggenwülv m de Rog­gen­wulf

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Roggen + Wulf