an­greepsch in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈanˌɡɾɛːpʃ/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: an·greepsch
angreepscher angreepschst
[1]
geavanceerde woordenschat
[2]
perifere woordenschat
Examples:
Wat ik nu segg, dröffst du nich angreepsch verstahn!

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: an + Greep + -sch